Mousserende wijn
Het drinken van mousserende wijn en vooral de champagne hoort in onze westerse cultuur bij feestelijke gelegenheden. Volgens traditie wordt champagne als aperitief geserveerd vanwege de eetlustopwekkende werking en het feit dat koolzuur de smaakpapillen ontvankelijk maakt.
Tijdens de tweede gisting de prise de mousse loopt de druk in de fles op tot 5 à 6 atmosfeer. Aansluitend worden de flessen enige tijd opgelegd. Na de oplegging is het tijd om het bezinksel, een restproduct van de tweede gisting, te verwijderen. Tegenwoordig doet men dat door de hals van de fles te bevriezen en vervolgens de fles te ontkurken. De in de champagnefles opgebouwde druk zorgt ervoor dat het bevroren bezinksel (en een klein beetje mousserende wijn) er uit schiet. Voordat het bezinksel echter op de tijdelijke kurk is komen te liggen heeft de fles een lange reeks van het door mensen of machines uitgevoerde bewegingen van draaien en schuin(er) zetten achter de rug.
De fles wordt daarop weer aangevuld met wijn en afhankelijk van de gewenste zoetheid van de mousserende wijn, voor een tweede keer voorzien van een bepaalde hoeveelheid in mousserende wijn opgeloste suiker, de liqueur d'expédition. Dan wordt de definitieve kurk op de fles geplaatst en wordt de mousserende wijn opnieuw opgelegd.
